HomeDe naamOostenrijkIndiƫStamboom
Bijzondere verhalen
Contact
L E I D E L M E I J E R
Geschiedenis van een Indische familie
Frans Leidelmeijer

 

‘Ik zit vol energie voor een nieuw begin’

Na 35 jaar stopte Frans Leidelmeijer ermee. Zijn wereldberoemde kunsthandel in het Spiegelkwartier sluit en op 16 mei veilt Christie’s zijn enorme collectie Nieuwe Kunst. Moesson blikt terug op Frans’ leven en carrière.

Voor vrienden van Frans is het een schok. Zijn eens zo ‘Indisch rommelige’ bovenwoning – vergis je niet, vol met topstukken! -  is leeg. Zijn collectie staat nu bij Christie’s, waar die op 16 mei geveild zal worden. De veiling belooft een internationaal spektakel te worden.
Frans Leidelmeijer (Bandoeng, 1942) is een van de meest bewonderde kunsthandelaren van Nederland. Op  het gebied van de Nederlandse art nouveau en art deco is hij dé autoriteit, in binnen- en buitenland. Veel kunstschatten in Nederlandse musea zijn door zijn handen gegaan en hij leverde aan de beroemde musea in het buitenland: het Wolffsonian, het Victoria and Albert Museum, Centre Pompidou, het Metropolitan. De boeken die hij schrijft zijn stuk voor stuk bijbels voor liefhebbers van toegepaste kunst 1880-1940.
Frans zit altijd strak in het pak (zijn vader werd de best geklede man van Bandoeng genoemd). Met zijn verfijnde manieren, prettige uitstraling en hart voor de Indische zaak is het bijna onmogelijk om niet van hem te houden. Wat bezielt Frans om zijn kunsthandel op te geven?
‘Een nieuw begin’
Frans: ,,De verzameling die ik in de loop der jaren heb opgebouwd, is eenvoudigweg te groot geworden. De werknemers bij mijn opslag zeiden: ,,Zo meneer Leidelmeijer, wilt u dat allemaal nog bij uw leven verkopen?” Ze hebben gelijk. Ik heb niet het eeuwige leven en ben al 63. Het is tijd om de collectie te verkopen. Aan dat besluit is een proces van onthechting voorafgegaan: er worden stukken geveild waar ik drie, vier jaar geleden niet aan zou dénken om te veilen. Maar ik verlaat het Spiegelkwartier en heb een nieuw appartement gekocht. Het einde van een fase in mijn leven, maar ook een nieuw begin.”
Achter zijn succesvolle carrière gaan harde levenslessen schuil. Frans werd tijdens de oorlog geboren, in 1942. Zijn vader was toen al geïnterneerd.
Frans: ,,Wij waren buitenkampers. Mijn moeder verklaarde dat ze volledig Indonesisch was, terwijl ze half peranakan, half Hollands was. Samen met onze oma woonden mijn broers en ik in Tjitjendo. Mijn moeder werd regelmatig belaagd door Japanners en door Indonesiërs die haar ‘bescherming’ aanboden. Als er weer zo’n Indonesiër op bezoek kwam, voelde mijn oudste broer Carlo – hij was toen vijf jaar oud – dat er iets niet klopte. Hij bleef dan bij haar onder tafel zitten.”
‘Ik zag het gebeuren’
Het gezin Leidelmeijer werd door de oorlog en repatriëring getekend. Maar ook door verscheurdheid, want in Holland scheidden Frans’ ouders al spoedig.
Frans: ,,Scheiden was in die jaren een taboe. Toen we nog in contractpensions woonden, mocht ik van mijn vader niet zeggen dat mijn moeder weg was. Maar ja, de mensen zagen toch dat ze er niet meer was? Moeder heeft mijn stiefvader, ‘ome Nelis’, in een contractpension in Gulpen leren kennen. Later, in hotel Bellavista in Scheveningen, is het fout gegaan. Ik zag het gebeuren, hoe jong ik ook was. Al dat gekonkel. De Indo’s zaten ook zo op elkaars lip in die pensions. Ik miste mijn moeder vreselijk. Elke nacht lag ik in het pension te huilen om haar. Dat heeft zeker een paar maanden geduurd. Op een goed moment ben ik haar gaan zoeken, in m’n eentje, met de tram. Ik had gehoord dat ze in de Barentszstraat woonde in Den Haag, in het Zeeheldenkwartier. Ik belde aan en van de hospita mocht ik in haar kamer wachten. Ik ben in haar bed gekropen om mezelf te troosten.”
,,Pas toen ik ouder werd, kon ik de scheiding accepteren. In mijn jeugd voelde ik me vaak schuldig en verscheurd. Dan gingen we weer naar m’n moeder, dan weer naar m’n vader. Zat je weer in de bus. Gaat dit nou de hele tijd zo door?, dacht ik bij mezelf. Had mijn vader gasten uitgenodigd voor het eten, terwijl ik al met mijn moeder had afgesproken.”
‘De drie musketiers’
Vader Leidelmeijer probeert, zo goed en zo kwaad mogelijk, voor zijn drie jongens te zorgen.
Frans: ,,Mijn vader heeft het zwaar gehad: drie opgroeiende jongens en zelf nog z’n plaats proberen te veroveren in de maatschappij. Wij hebben naar verhouding lang in contractpensions gewoond. We kregen wel huizen aangeboden, maar dat bood geen oplossing. Wie moest er dan koken en voor ons zorgen? Mijn vader moest immers iedere dag naar zijn werk.
We verhuisden van het ene contractpension naar het andere. In één jaar wel vijf keer. Tot mijn vader besloot zijn ouders over te laten komen. Die woonden in Bogor en wilden helemaal niet naar Nederland. Hij heeft op hun gemoed ingespeeld. We kregen een huis aangeboden in de wijk Morgenstond in de Coevordenstraat, waar mijn opa en oma ook kwamen wonen. Mijn oma ging voor ons koken. Dat heeft ze niet lang kunnen doen, want ze is binnen een jaar overleden. Ze had het altijd maar koud en is ziek geworden. Haar zuster was ook meegekomen en zij overleed al binnen een maand. Oude bomen moet je niet verplaatsen. Het is een cliché, maar het gaat wel op.”
,,Ik was zeventien toen ik bij mijn moeder ging wonen. Mijn broers waren het huis al uit. M’n vader zat altijd bij mijn opa en ik zat dan alleen. Het was niet meer zo gezellig. Ik weet dat hij zich erg gekwetst heeft gevoeld door mijn vertrek en ik voel me daar nog altijd schuldig over. Ik heb hem laten zitten.”
‘Word je dan niet opgepakt?’
Op een gegeven moment kwam voor Frans de tijd om ‘uit de kast te komen’, zoals dat heet.
Frans: ,,Toen ik bij mijn moeder woonde, kwam uit dat ik homoseksueel was. Mijn vaders eerste reactie was dat ik naar een opvoedingsgesticht moest. Hij had het blijkbaar niet in  de gaten gehad, ook al maakte hij wel eens een opmerking als ik een bepaalde beweging maakte. ‘Je lijkt wel een meid’, zei hij dan. ‘Vroeger noemden we dat bantji.’ Dat kwam hard aan.
Mijn moeder wist het denk ik wel. ‘Word je dan niet door de politie opgepakt?’, vroeg ze nog. De schrik zat er bij haar kennelijk nog in: vóór de oorlog in Indië had zij de heksenjacht op homo’s meegemaakt door de gouverneur-generaal Tjarda van Starkenborgh Stachouwer. Mijn vader is door zijn tweede vrouw gekalmeerd: ‘Sommige mensen zijn nu eenmaal homo, daar doe je niks aan.’
Vervolgens hebben mijn vader en ik er nooit meer over gesproken. Mijn moeder en ik begrepen elkaar, maar het leek alsof er tussen mijn vader en mij een muur stond. Dat komt toch door mijn geaardheid. Als ik er nu aan terugdenk, denk ik: ach, die arme vader. Hij is op z’n 58ste aan een hartaanval overleden. Dan is het ineens – bam – over. Je kunt niks meer zeggen tegen elkaar. Hij was nog zo jong. Ik zoek de oorzaak onder meer in de klappen die hij heeft moeten incasseren: de oorlog, de repatriëring, de scheiding, voor zijn kinderen zorgen, z’n ouders die overkomen, z’n moeder die vervolgens overlijdt. Hij kon het niet helemaal bolwerken op z’n werk, mede door alle zorgen natuurlijk. Veel Indische mannen kregen een hartinfarct in die tijd. Dat weet ik nog goed. Er waren er meer bij ons in de buurt. De repatriëring en alles wat daar bij kwam kijken, veroorzaakte een enorme druk. De mannen waren toch het hoofd van het gezin en moesten de verantwoordelijkheid maar dragen. Mijn vader stond op, kookte dan voor ons – voor diezelfde avond of voor twee dagen tegelijk – en ging vervolgens naar z’n werk. Vervolgens tussen de middag boodschappen doen en dan ook nog de zorg voor zijn oude vader.”
‘Beautiful people’
Tussen Frans en Den Haag heeft het nooit geklikt. In 1965 vertrekt hij dan ook naar Amsterdam.
Frans: ,,Eigenlijk wilde ik na de mulo naar de kunstacademie, maar dat durfde ik niet. Ik dacht van veel dingen dat ik het niet kon. Een soort minderwaardigheidscomplex, waarvan ik denk dat dat Indisch is. Met minder genoegen nemen. Ik was verlegen en nam onbeduidende baantjes aan, werd assistent handelscorrespondent. En toch wilde ik me bewijzen – ook om te laten zien dat Indo’s meer kunnen. Ik had wel de ambitie, maar niet de kracht.”
,,In Amsterdam voelde ik me op m’n plaats; ik had het gevoel deel te nemen aan de maatschappij. In 1969 kwam ik Daan (van der Cingel, MvA) tegen. Op straat. We keken elkaar aan, het was raak en dat is nooit meer overgegaan. Ik was in die tijd psychiatrisch verpleegkundige. We gingen veel naar Parijs en ik zag die prachtige metro-uitgangen van Hector Guimard. Ik raakte onder de indruk van de art nouveau. Daan zei: ‘Waarom begin je geen winkel, als je toch wilt ophouden met de verpleging?’ We openden een winkel in de Jordaan, die heette Santekraam. Daar hebben we één jaar gezeten. We verkochten poppen en poëzieplaatjes, maar ook vazen van Gallé en Lalique, die we in het weekend in Parijs inkochten. Ik kreeg allerlei interessante verzamelaars in mijn winkel, mede dankzij Restaurant Special – hét Indisch restaurant van die tijd – verderop in de straat. The beautiful people van Amsterdam  kwamen daar. Ik besefte dat de winkel moest verhuizen naar een buurt met meer doelgerichte klanten. Na een jaar konden we in het Spiegelkwartier terecht. Daan en ik hebben elkaar heel goed aangevuld. Ik bedacht de dingen en hij regelde alles. ,,Jij bent de ziel en ik ben de motor van de winkel”, zei hij altijd.
‘Geloof je erin? We kopen het’
Er is die dagen nauwelijks enige belangstelling voor de Nederlandse Nieuwe Kunst.
Frans: ,,Als handelaar  voelde in me een verlengstuk van de buitenlandse stijlen. Waarom koop ik geen Nederlandse kunstnijverheid?, dacht ik na verloop van tijd. Die kon je makkelijk inkopen, maar moeilijk verkopen, omdat er amper iets over bekend was. Dan moest ik, bedacht ik, eigenlijk een boek schrijven dat aantoont dat Nederlandse toegepaste kunst even veel kwaliteit heeft als de buitenlandse. Dat boek is in 1983 verschenen, na de dood van mijn moeder. Ook zij is op jonge leeftijd overleden, 64 jaar oud. Toen ze hoorde dat ze kanker had, zei ze tegen mij: ‘Dat is mijn straf. Voor dat ik jullie verlaten heb.’ Ik heb veel verdriet gehad van haar dood. Gelukkig heb ik haar nog wel kunnen vertellen dat ik het boek aan haar zou opdragen. Ik beschouw het nog steeds als een hoogtepunt in mijn loopbaan.”
,,Vervolgens zijn Daan en ik met de galerie naar de Spiegelgracht verhuisd. Want ik wilde nóg groter en nóg meer in de loop. Al die jaren heb ik boven de winkel gewoond. In het begin was de winkel heel leeg, maar allengs werd het steeds voller. Als ik bij veilingen inkocht, was er nauwelijks concurrentie. Soms was ik de enige die bood. Anderen – musea bijvoorbeeld – hadden er minder geld voor over. Als ik twijfelde, zei Daan: ‘Wil je ’t hebben? Geloof je erin? Dan kopen we het.’ Ik werd door hem gesterkt. Hij zei: ‘Je kunt alles bereiken, als je er maar in gelooft.”
,,Toen Daan overleed in 1989 dacht ik eerst: ik ga stoppen. Hij maakte zo’n onlosmakelijk deel uit van het bedrijf. Al twee jaar wisten we dat hij dood zou gaan. Hij heeft in die tijd die hem restte nog van alles geregeld. Hij zei: ‘Je gaat wel je rijbewijs halen!’, en pakte de telefoon: ‘Meneer Leidelmeijer komt twee keer per week bij u autorijles nemen.’ Hij heeft geregeld dat ik zijn taken leerde doen. Me helemaal klaargestoomd voor het moment dat hij er niet meer zou zijn.”
,,Hij kon in mijn kleren op het laatst. Hij heeft niet kunnen accepteren dat hij dood ging en was heel boos. Omdat ik het dichtst bij hem stond, werd alles op mij afgereageerd. Even later deed hij er weer alles aan om  het goed te maken. Ik heb hem tot het laatst verpleegd. Zijn moeder zei: ‘Hou je het nog wel vol’, en: ‘je krijgt een plaatsje in de hemel later.’ Misschien was dat m’n Indische ik, dat flegmatische. Je kunt je verplaatsen in iemand, maar ik wist waarom. Een ander had het niet genomen hoor, die was weg gegaan.’
‘You’re a living legend’
Ondanks de zware slag heeft Frans zich na de dood van Daan nog meer waargemaakt.
Frans: ,,Na de eerste schok dacht ik: ik moet toch verder. Ik moet bewijzen dat ik het ook zonder hem kan.”
Enkele hoogtepunten: in 1990 wordt hij gevraagd voor het tv-programma Tussen Kunst en Kitsch en hij krijgt een lintje in 1997 vanwege zijn rol als internationale pleitbezorger van de Nederlandse Nieuwe Kunst. De bovenwoning waar we inmiddels al uren praten, biedt nog altijd een onwerkelijk lege aanblik. Een van Frans’ beste klanten, het Wolffsonian in Miami reageert ontdaan dat Frans zijn winkel sluit: ‘It’s a shame, you’re a living legend. You taught us about the Dutch art nouveau and art deco.’
Frans: ,,Ik wilde de Nederlandse art nouveau en art deco niet alleen op het nationale, maar ook op het internationale podium brengen. Dat is gelukt. Daar ben ik trots op, dat geeft voldoening. Ik blijf art nouveau en art deco mooi vinden, maar verleg mijn interesse nu ook naar de 21ste eeuw: zo ben ik gefascineerd door het werk van Ron Arad, Marc Newson en de Nederlandse groep Droog. Ik heb een rijk leven gehad, maar wel met veel harde levenslessen. Dit is een weemoedig moment, maar ik zit vol energie voor een nieuw begin. Om te beginnen ga ik wel door met de kunsthandel, maar uitsluitend via de website, op afspraak en op belangrijke beurzen als PAN en de TEFAF. Daarnaast ga ik zomertentoonstellingen verzorgen voor museum Nusantara. En in juni maak ik een tentoonstelling in het Erasmushuis in Jakarta over Rietvelt en De Stijl. Ik heb een gloednieuw appartement gekocht dat ik minimalistisch wil inrichten: ik ben die oude huizen zat, je hebt altijd lekkage. Tuurlijk geef ik een selamatan. Ik doe dan wel minimalistisch, maar blijf Indo!”


Uit: Moesson, mei 2006






 



HomeDe naamOostenrijkIndiƫStamboomBijzondere verhalenContact